“Patiëntgerichte zorg en het empathisch vermogen van zorgverstrekkers is zeer belangrijk. Dat geldt a fortiori bij de implementatie van nieuwe technologieën zoals AI. We moeten daar blijvend op inzetten. Het grootste aandachtspunt naar de toekomst toe is echter de toegankelijkheid te bewaren.”
Het doet dokter Joost Baert, algemeen directeur van AZ Delta Roeselare (4 campussen, 1.358 bedden), genoegen dat de burgers nog steeds zeer tevreden zijn over hun ziekenhuis.
“De ziekenhuisbarometer is heel positief. Er blijkt een groot vertrouwen uit in de zorginstellingen en zelfs in de veiligheid van de patiëntendata. Dat de Belg de ziekenhuissector zo belangrijk en zo waardevol en positief inschat, moeten we koesteren. Ook naar de toekomst toe. We hebben nog altijd een goed gezondheidszorgsysteem.”
Taakdifferentiatie
Nochtans waren er post-covid wel wat uitdagingen, stelt dokter Baert. “Niet in het minst was er het zorginfarct. Sommige regio’s voelden een beginnende schaarste aan hoogopgeleid en specifiek personeel. Maar ondanks die moeilijke arbeidsmarkt is de perceptie niet negatief. De beschikbaarheid van verpleegkundig personeel scoort zelfs expliciet goed.”
Volgens Joost Baert staan we nu echter wel voor de grote uitdaging om de zorgladder – met functie- en taakdifferentiaties binnen het verpleegkundig beroep- te implementeren. “Het tekort aan gespecialiseerde paramedische, verpleegkundige en -in tweede orde ook- medische profielen neemt toe. De arbeidsmarkt is zich volop aan het reorganiseren. Daarmee is de sector heel bewust en volop bezig. Maar blijkbaar heeft het nog niet veel impact op de perceptie van de burger en de patiënt.”
Outpatient zorg
Parameters die eveneens zeer goed scoren zijn toegankelijkheid, persoonsgerichte aanpak, directe betrokkenheid en geografische nabijheid van zorg. Joost Baert: “Ook dat zijn aandachtspunten naar de toekomst toe. De expertnota over de herziening van het ziekenhuislandschap in opdracht van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid (zie: aanbevelingen expertgroep) zet in op differentiatie tussen universitaire ziekenhuizen, algemene ziekenhuizen, zogenaamde intermediair vormen en dagcentra met polikliniek. De evolutie naar concentratie en grotere entiteiten voor gespecialiseerde, complexe zorg wordt ingegeven door nieuwe technologische mogelijkheden, verkorte ligduur, de mogelijkheid tot meer outpatient behandelingen én vormt deels een antwoord op de evoluties in de arbeidsmarkt (zie hoger). Centralisatie kan immers de continuïteit en permanentie op hoog niveau houden. In dat nieuwe landschap is het zaak de toegankelijkheid te bewaren. Dat kan met name door in potentieel kleine, ontmantelde ziekenhuizen in te zetten op dagcentra en de uitbouw van toegankelijke poliklinische zorg.”
In dat verband merkt Joost Baert wel regionale verschillen op. “Uit de ziekenhuisbarometer blijkt dat 4% van de patiënten in Vlaanderen voor een bloedafname naar het ziekenhuis gaat. In Brussel en Wallonië is dat respectievelijk 29 en 26%… Vlaanderen lijkt dus al verder te staan in de outpatient-zorg. Als we de toegankelijkheid en de verbondenheid met de zorg in een ziekenhuislandschap met meer poliklinische zorg en outpatient-contacten willen behouden dan is er in sommige regio’s toch nog werk aan de winkel.”
Want dat de Belg veel waarde hecht aan geografisch nabije zorg, blijkt ook uit een ander cijfer: slechts 38% is voorstander van ziekenhuisfusies. Terwijl de introductie van de ziekenhuisnetwerken voor een fusiegolf zorgde. Joost Baert: “Het is ook noodzakelijk de toegankelijkheid te bewaren door een goed geïntegreerde werking tussen de verschillende vormen van instellingen te realiseren. Een belangrijk aandachtspunt. Temeer daar schaalvergroting ertoe leidt dat artsenassociaties groter worden. Dat bedreigt persoonsgerichte zorg, de patiënt komt zo in een systeem terecht.”
Artificiële Intelligentie
Verrassend vindt Joost Baert dat ‘slechts’ 60% tevreden is over de technologische infrastructuur. “Vergeleken met de andere scores is dat een matig percentage. Naar mijn gevoel beschikken de ziekenhuizen nochtans over de modernste technologieën. Er is dus een verschil in perceptie tussen burgers en zorgverstrekkers.” “Eveneens verrassend,” vervolgt hij, “is dat zovelen artificiële intelligentie zien zitten. Een internetenquête bevraagt natuurlijk wel mensen die vertrouwd zijn met de digitale wereld. Wellicht is dat een bias. Desondanks is de openheid zeer opmerkelijk. Men is klaar voor een volgende golf. Het samenvatten van het medisch dossier met AI-ondersteuning is nochtans zeer ingrijpend voor de arts-patiëntrelatie. Men looft de vriendelijkheid en warmte van het personeel en de persoonlijke benadering van de arts. Terwijl AI potentieel een barrière kan vormen tussen zorgverstrekker en patiënt. Opmerkelijk is dus dat Belgen niet sceptischer en terughoudender zijn. Het sterkt me evenwel in de overtuiging dat we voluit moeten inzetten op een goede en veilige implementatie van AI in onze zorginstellingen en de opportuniteiten moeten grijpen om ons zorgsysteem ‘future proof’ te hervormen.”