De uitdaging van de wederzijdse erkenning van opleidingskwalificaties
Naar een grotere grensoverschrijdende mobiliteit van gezondheidswerkers
Caroline van der Rest
Advocaat Younity
Jean-Philippe Cordier
Advocaat Younity
Om haar opdrachten te blijven vervullen, ziet het ziekenhuis zich geconfronteerd met de noodzaak om zich te ontwikkelen naar een verregaande specialisatie en een ruimer opgevatte multidisciplinariteit, hand in hand met een verdere internationalisering en professionalisering van de zorgverleners. Hoe zit het dan met de wederzijdse erkenning van kwalificaties, zodat de patiëntveiligheid gegarandeerd blijft? We overlopen de belangrijkste uitdagingen en gerealiseerde vooruitgangen op dit vlak.
Het is duidelijk dat de rol van het ziekenhuis evolueert in de richting van een steeds meer gespecialiseerde geneeskunde en een meer multidisciplinaire benadering van de patiënt. De laatste wetswijzigingen liggen duidelijk in lijn met deze evolutie, die erop gericht is de doelstellingen inzake zorgkwaliteit en budgettair evenwicht met elkaar in overeenstemming te brengen.
Een typisch voorbeeld is de oprichting van duurzame netwerkstructuren. In principe moet dit elk ziekenhuis in staat stellen professioneler te worden en zijn middelen – in termen van personeel, uitrusting en technologie – te optimaliseren.
Vooruitgang ja, maar ...
De tendens naar specialisatie en multidisciplinariteit binnen het ziekenhuis vereist een grotere internationale mobiliteit van gezondheidswerkers. Dit is van essentieel belang gezien het tekort aan personeel en mankracht in de sector.
Hoewel op dit gebied de laatste jaren aanzienlijke vooruitgang is geboekt - met name binnen de Europese Unie (EU) – vormt de internationale mobiliteit van gezondheidswerkers nog steeds een echte uitdaging. Het is namelijk belangrijk ervoor te zorgen dat internationale mobiliteit niet ten koste gaat van patiëntveiligheid, en voor de meeste jobs in de gezondheidszorg is een specifieke kwalificatie vereist.
De regels inzake wederzijdse erkenning – tussen de staten – van beroepskwalificaties moeten dus van dien aard zijn dat ze de kwaliteit waarborgen van de opleidingen die aan de beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden gegeven. Dit is de echte uitdaging
Binnen de EU heeft de wetgever de rechtszekerheid op dit gebied aanzienlijk vergroot. Als gevolg daarvan is de mobiliteit van gezondheidswerkers een realiteit geworden.
Niettemin bestaat er soms een spanningsveld tussen theorie en praktijk, met name in verband met de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de beginselen van wederzijdse erkenning van kwalificaties en de invraagstelling van de specifieke voorwaarden voor de uitoefening hiervan in elke Lidstaat.
De Europese richtlijn
Om de mobiliteit binnen de interne markt van de EU te bevorderen, heeft de Europese wetgever getracht de kwalificatie-voorwaarden voor de uitoefening van bepaalde gereglementeerde beroepen binnen de Lidstaten te harmoniseren door middel van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties[1]. [1]
De richtlijn [2] is van toepassing op alle burgers (of gelijkgestelde personen) van de EU, de andere landen van de Europese Economische Ruimte (EER) (bestaande uit de EU-Lidstaten plus IJsland, Liechtenstein en Noorwegen) en Zwitserland die een gereglementeerd beroep willen uitoefenen – hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer – in een ander land dan dat waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven.
Voor een beperkt aantal beroepen die onder de richtlijn vallen – waaronder verpleegkundigen, fysiotherapeuten en apothekers – voorziet de richtlijn nu in de mogelijkheid voor beroepsbeoefenaren om hun beroepskwalificaties aan te tonen door middel van een Europese beroepskaart (EPC).
Dit instrument is bedoeld om de erkenning van beroepskwalificaties gemakkelijker en sneller te maken door de Lidstaat van oorsprong verschillende stappen in de procedure te laten uitvoeren. De EPC is echter niet verplicht als bewijs van beroepskwalificaties.
Automatische erkenning
Voor bepaalde gereglementeerde beroepen voorziet de richtlijn ook in een stelsel van automatische erkenning van opleidingstitels. Het systeem is gebaseerd op de harmonisatie van de minimumopleidingseisen tussen de Lidstaten.
De harmonisatie is het snelst gegaan in de gezondheidssector. Van de zeven beroepen die onder de richtlijn vallen, behoren er zes tot deze sector: artsen, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, tandartsen, dierenartsen, verloskundigen en apothekers.
De richtlijn bepaalt bijvoorbeeld dat de medische basisopleiding in alle Lidstaten in totaal ten minste zes studiejaren of 5500 uur theoretisch en praktisch onderwijs omvat, gegeven aan een universiteit of onder toezicht van een universiteit.
Zo kan voortaan elke arts die in een EER-land of in Zwitserland is afgestudeerd, zijn of haar diploma laten erkennen als gelijkwaardig aan het Belgische diploma geneeskunde. De beslissing van NARIC Vlaanderen voor de niveau-erkenning neemt 60 dagen, voor een specifieke erkenning duurt het 120 dagen.
Wanneer de arts zijn diploma door de bevoegde Gemeenschap laat erkennen, stuurt de FOD Volksgezondheid hem automatisch zijn visum[3]op waarmee hij het beroep mag uitoefenen. Vervolgens moet hij de formaliteiten vervullen voor de inschrijving bij de Orde der artsen.
Verklaring van overeenstemming
In de praktijk verloopt de erkenning echter niet altijd zo automatisch zoals het zou moeten. Er kunnen zich bepaalde moeilijkheden voordoen, met name wanneer de opleidingstitel niet is vermeld in bijlage V van de richtlijn (waarin uitdrukkelijk de opleidingstitels worden vermeld die automatisch moeten worden erkend omdat zij aan de minimumvoorwaarden voldoen).
Een arts die in zijn land van herkomst een bijzondere specialisatie heeft gevolgd, die niet in bijlage V is opgenomen, komt niet in aanmerking voor automatische erkenning van deze titel. Hij moet een door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong opgesteld conformiteitsattest voorleggen en aantonen dat hij voldoet aan de minimumvoorwaarden inzake theoretische en praktische opleiding die in de richtlijn zijn vastgesteld.
In geval van gegronde twijfel kan de ontvangende Lidstaat de bevoegde autoriteiten van de Lidstaat van oorsprong verzoeken om bevestiging van de echtheid van het diploma en van het feit dat de begunstigde aan alle minimumopleidingseisen van de richtlijn heeft voldaan. Hoewel er nog steeds enkele belemmeringen bestaan voor de vrije uitoefening van een beroep in de gezondheidszorg in een andere Lidstaat, moet de vooruitgang die de laatste jaren op dit gebied is geboekt, worden toegejuicht.
Volgens een recente analyse van Acerta[4]is het aandeel van buitenlandse werknemers in de Belgische gezondheidszorg de afgelopen zeven jaar met 33% gestegen - een zeer bemoedigend cijfer.
[1] Pb. 2005, L 255, p. 22, zoals gewijzigd door Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (Pb. 2013, L 354, p. 132).
[2] Omgezet in Belgisch recht bij de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties (B.S. 2 april 2008, Err., B.S. 9 april 2008 (tweede uitg.)), zoals gewijzigd door de wet van 25 december 2016 (B.S. 31 januari 2017) en het decreet van 12 juli 2017 (B.S. 12 september 2017).
[3] Het visum is een attest dat bewijst dat men gemachtigd is het beroep (of een deel ervan) uit te oefenen. Het gaat dus om een toelating tot de praktijk (“licence to practice”). Dit is onontbeerlijk om te kunnen werken.
[4] Artikel gepubliceerd op 12 mei 2022 op http://www.acerta.be.